Doorzichtige Dingen

De rivier de Oredezh

“U denkt – en volkomen terecht – aan de steen op een heuvel waaroverheen een menigte kleine dieren in de loop van ontelbare seizoenen is geroetsjt.”

We verzeilden in het bos vlakbij Vyra, waar de schrijver lang geleden de zomers doorbracht met zijn ouders. We sloegen linksaf nadat we de twaalf traptreden die de veranda van de voortuin scheidde achter ons hadden gelaten en volgden het pad om het huis. Een bruine leren tas waarin enkele potten van verschillend formaat – variërend van hoog tot laag en van smal tot breed, maar allemaal van hetzelfde delicate glas – hing over zijn schouder. Het vlindernet al in de aanslag in zijn hand. Het dichtbegroeide dennenbos waarin wij liepen was op een natuurlijke manier vervallen geraakt en de paden waren bezaaid met een mengsel van langzaam in de grond wegsijpelende geschiedenis. De afgebroken takken spraken van stormen die duizenden keren tussen de bomen waren doorgeraasd en duizenden keren waren teruggekeerd naar de verspreidde wolken aan de hemel.

De overgang van het donkere bos naar de idyllische open plek kwam onverwachts: niets in het schaarse licht of in de begroeiing deed mij de zonovergoten ruimte waar ik instapte vermoeden. De schrijver, die de rol van gids aangenomen had, lachte terwijl hij een tak opzij hield, voor hem was het honderd jaar geleden net zo’n verrassing, toen hij op de open plek stuitte. De rivier de Oredezh die zich rondom Vyra kronkelt was hier op zijn breedst en vormde ogenschijnlijk een klein meer in het midden van de uitsparing in het bos.

Het lopen door de onderbegroeiing vermoeide de schrijver en hij stelde voor plaats te nemen op de stam van een omgewaaide spar. Hij legde het vlindernet voor hem op de grond en keek met een allesomvattende blik naar de zachte rimpelingen van de rivier en de savanneachtige strook gras, rijkelijk doorschoten met de kleuren van korenbloemen, klaprozen en het paars en geel van zomers geurende struiken. Een zucht ontsnapte aan zijn lippen toen hij plaats nam en ik herkende duidelijk het vaak zo berustende en lome gevoel dat het terugdenken aan het verleden teweegbrengt. We bevonden ons op een geliefde plek uit een voorbije jeugd, een plek die de schrijver naast mij nooit meer met eigen ogen zou aanschouwen, maar het gras herinnerde zich zijn voetstappen en de vlinders vertelden van hun ouders die zo liefdevol bestudeerd waren door zijn ogen.

Zo zaten wij een half uur, een uur zonder te spreken alleen te kijken (alom) ieder met onze eigen herinneringen, waarbij hij een andere blik had dan ik. Stilzwijgend bezag hij niet de huidige vormen van de zwerfkei een paar meter rechts van ons, maar zag hij de kei zoals deze daar honderd jaar geleden lag, toen nog met een klein struikje dat zich manhaftig staande hield op het bolle oppervlak, maar die ik onmogelijk zien kon aangezien het struikje het gedoemde gevecht om houvast lang geleden verloor van de wind.

Een reiger riep haar rauwe roep naar de zon vanaf haar hoge nest in een dennenboom die ik tussen de vele andere bomen niet kon ontwaren.

In de verte klonk het fluitsignaal van de Nord-Express die als een wervelwind langs het minuscule treinstationnetje van Siverski blies.

De heer Nabokov pakte met zijn sneeuwwitte handen het vlindernet van de grond en liep voor de laatste keer het gras in, zijn witte overhemd contrasteerde met het blauw en het groen dat zo’n zoete geur verspreidde, gras streek over zijn blote onderbenen. Hij liet het net vakkundig klapperen in het briesje dat uit het midden van de rivier opstak en maakte zich op een bijzonder mooi exemplaar te vangen en vervaagde voor mijn ogen langzaam met de ‘mysterieuze geestelijke zwenking die nodig is om van de ene zijnsvorm naar de andere te gaan’ tot hij nergens meer was. Alleen een eenzame vlinder stak onhandig fladderend de rivier over, tot ook deze in de struiken aan de overkant verdween.

(De citaten zijn afkomstig uit Doorzichtige Dingen van Vladimir Nabokov.)